Nederlands
Groeten uit het buitenland!
- Liefste…
- Hallo…
- Dag…
- Beste…
- Hoi…
- We hebben een toffe camping.
- We maken lange wandelingen.
- Vandaag doe ik lekker niets.
- De bergen hier zijn prachtig!
- De tochten zijn wel zwaar.
- Gisteren hebben we 6 uur gestapt!
- Alles gaat goed met mij.
- Ons appartementje is heel mooi.
- Het was heel interessant.
- De zon schijnt altijd!
- Het eten is lekker.
- Gisteren hebben we lang op het strand gelegen.
- Nu genieten we van onze culturele reis.
- Groetjes van…
- Dikke kussen…
- Tot binnenkort…
- Groeten uit…
Van welke vakantie houd jij het meest?
Ik houd het meest van…
- kamperen aan de Spaanse kust.
- een vakantie met eigen auto.
- een fietsvakantie in Belgie.
- een vakantie aan de Belgische kust.
- een bezoek aan een pretpark.
- een vakantie met de boot.
- een vakantie in Engeland.
- een vakantie op een eiland in de Middellandse Zee.
- een vakantie met een autocar.
- een vakantie in de bergen.
Woordenschat – het buitenland, her verblijf, de wegstrijd(en), de berg(en), de zee (zeeen), de rivier(en), de wandeling(en), de tocht(en), het strand(en), het bos(sen), de vakantie(s), de camping(s), de villa(‘s), de bungalow(s), de winnaar(s), het hotel(s), het klooster(s), het museum (museums – musea), winnen (ik win), verliezen (ik verlies), kamperen (ik kampeer), logeren (ik logeer), genieten van (ik geniet van … ), klimmen (ik klim).
Berichtjes
- Ben even naar de bakker.
- T. K. huis aan zee.
- Afspraak dokter gaat morgen niet door.
- De match is verzet naar donderdag.
- Cursus Nederlands volzet.
- Te huur.
- Pas op!
- Verboden toegang.
- Peter zoekt je.
- Ik was hier om … Kom vanavond terug om…
- Ga je mee naar de cinema?
- Match gaat niet door.
- Pedro komt je ophalen…
- Er is geen brood. Ga jij er een halen a.u.b.?
- Breng je morgen mijn woordenboek mee naar de klas?
- Tot dan!
- Bedankt!
- Groetjes…
- Moet ik/ hij terugbellen?
- Moet ik een boodschap/ een bericht/ iets doorgeven?
- Kan ik een nieuwe afspraak maken?
- Kan ik mijn afspraak verzetten?
Wat is er gebeurd?
- Lisbet is uit het raam gevallen.
- Dylan is tegen een boom/een andere auto/een verkeersbord gebotst.
- Sander is slachtoffer van een auto-ongeluk/ontploffing/ brand.
- Tijdens de krokusvakantie braken veel mensen armen en benen/ handen en voeten/ vingers en tegen.
Hoe is het gebeurd?
- Lisbet was een sigaret aan het roken.
- De auto van Dylan is geslipt/ is overkop gegaan/ had geen remmen meer.
- De explosie was een gevolg van een gaslek/ van een kapotte benzinepomp.
- Toeristen in de bergen raakten gekwetst door het skien/ door het ijsschaatsen.
Wat waren de gevolgen van het ongeval?/ Wat zijn de gevolgen?
- Lisbet kon niet meer bewegen.
- Dylan had veel breuken en verwondingen/ veel snijwonden/ veel brandwonden.
- Sander was verlamd/ verbrand/ blind.
Wat heeft men in her ziekenhuis gedaan?
- Men heeft Lisbet geleerd hoe ze met haar handicap verder kan leven = ze moest revalideren.
- Men heeft Dylan geopereerd/ zijn been in het gips gelegd.
- Men heeft de brandwonden verzorgd.
- Men heeft de slachtoffers naar huis gevlogen/ gereden.
Wat is de situatie na de behandeling in het ziekenhuis?
- Lisbet zit in een rolstoel/ nog in het revalidatiecentrum.
- Dylan krijgt een lichaamsoefeningen bij een kinesist.
- Sander is onzeker en bang.
- Mensen met een reisverzekering hadden geluk.
Hoe is het met de mensen nu?
- Lisbet is blij maar ze heeft problemen met haar rolstoel op straat/ in openbare gebouwen.
- Dylan hoopt binnenkort weer te kunnen sporten/ uitgaan.
- Sander wil via e-mail graag in contact komen met andere mensen met brandwonden.
Wanneer belt u naar het nummer dringende politiehulp 101?
- U bent getuige van een ernstig verkeersongeval met gewonden.
- U ziet dat er ergens ingebroken wordt.
- U wordt bedreigd.
- U ziet dat er iemand in uw omgeving bedreigd wordt.
- U bent getuige van een vechtpartij.
Woordenschat – pech, geluk, aanrijding(en), de operatie(s), het noodnummer(s)
Verhuizen
- Maria heeft een appartement gehuurd.
- Er staat een fles op de zolder.
- Er zit een beer op het bed.
- Er hangen mooie schilderijen in de woonkamer.
- Er ligt een tapijt in de studeerkamer.
- Er hangt een handdoek in de keuken.
- Er staan boeken in de badkamer.
- Er liggen kussens in de zetel.
- Er staan auto’s in de kinderkamer.
- Er hangt een lampje boven het bed in de slaapkamer.
- Er zitten muizen op de zolder.
Woordenschat – de plant(en), de kapstok(ken), het matras(sen), het gordijn(en), het schiderij(en), het rek(ken), het kussen(s)
- Ik ben verhuisd.
- zetten – ik zet | zitten – de man zit…
- leggen – ik leg | liggen – het tapijt ligt…
Eten Klaarmaken
- Welke producten moet zij weggooien?
- Welke producten moeten in de koelkast staan?
- Welke producten zetten/leggen in de keukenkast?
- Hoe moet je het product klaarmaken?
- Moet je het product laten ontdooien? (ontdooien = ontvriesen)
- Mag je het product (niet) laten ontdooien?
Woordenschat – houdbaarheidsdatum = versheidsdatum, de verpakking(en), de oven(s), het frituurvet, het fornuis (fornuizen), met dekzel, bevroren, ontdooid, supermarkt, reclameboodschappen, sluitingsuur, verwittiging (En=warning), etiket (En=label), klacht (En=complaint), wisselgeld, kasticket, kledingstuk, beschimmeld (En=moldy), vervallen, defect.
Openbaar En Prive Vervoer
- Peter gaat naar zijn werk met de fiets. Dat is goedkoop. Als het regent neemt hij de bus, dan zit hij droog. Zo blijft hij in beweging en dat is goed voor zijn conditie.
- Ria gaat naar Antwerpen met de tram. Het is snel en niet duur. Zij moet geen parkeerplaats zoeken.
- Barbara komt met de auto naar school. Zij moet veel dingen meebrengen. Som moet zij naar Brussel rijden. Zij is niet gebonden aan de uren van de trein. Maar alleen jammer van de files.
- Luk gaat elke week met de trein op bezoek bij zijn ouders. Zo heeft hij geen last van de files. Alleen spijtig dat er soms vertragingen zijn.
- Danielle gaat winkelen in Brugge-centrum. Zij heeft haar auto aan het station geparkeerd en wacht nu op de bus. Zij vindt dat echt gemakkelijk. Zij hoopt wel dat de bus niet te vol zit, anders moet zij weer rechtstaan.
- Ik kom te voet naar school. Ik wandel graag en het is goed voor mijn conditie. Het kost niks. Maar als het regent, dan word ik nat.
Hoe vraag je het?
- Welke tram moet ik nemen voor de bibliotheek?
- Brugge, enkel, a.u.b.
- Rijdt deze bus naar het station?
- Op welk spoor komt de trein naar Brussel?
- Waar moet ik afstappen voor…?
- Moet it ergens overstappen? (ergens = somewhere)
- Hasselt, heen en terug a.u.b.
- Stopt u aan de post?
Woordenschat – aankomst, het vertrek, het openbaar vervoer, de parkeerplaats, de vertraging(en), het spoor (de sporen), de file(s), afstappen (ik stap af), overstappen (ik stap over), wachten op, vertrekuur, uurtabel, halte,
Regelmatig Werkwoorden
| regenen |
geregend |
| studeren |
gestudeerd |
| luisteren |
geluisterd |
| antwoorden |
geantwoord |
| spelen |
gespeeld |
| telefoneren |
getelefoneerd |
| werken |
gewerkt |
| leren |
geleerd |
| wandelen |
gewandeld |
| proeven |
geproefd |
| maken |
gemaakt |
| verhuizen |
verhuisd |
| poetsen |
gepoetst |
| voetballen |
gevoetbald |
| huren |
gehuurd |
| lenen (van/aan) |
geleend |
| wisselen |
gewisseld |
| vragen (aan) |
gevraagd |
| praten (met) |
gepraat |
| reizen |
gereisd |
Reflexieve Werkwoorden
| zich douchen |
Ik douch me. |
| zich wassen |
Jij wast je. |
Jij heb je gewassen. |
| zich kelden |
Hij kleedt zich. |
Hij heeft zich gekleed. |
| zich afdrogen |
Wij drogen ons af. |
| zich scheren |
Jullie scheren je. |
Jullie hebben je geschoren. |
| zich haasten |
Zij (mv) haasten zich. |
Zij hebben zich gehaast. |
Scheidbare Werkwoorden
| aandoen |
Hij doet … aan. |
| binnenkomen |
Jullie komen … binnen. |
| meebrengen |
Jij brengt … mee. |
| aankomen |
Wij komen … aan. |
| nadenken |
Zij (mv) denken … na. |
| meenemen |
Ik neem … mee. |
| opeten |
Hij eet … op. |
| opendoen |
zij (enk) doet … open |
Imperatief
De imperatief staat ALTIJD op de EERSTE PLAATS in de zin.
De imperatief heeft GEEN SUBJECT.
De imperatief gebruik je meestal bij INSTRUCTIES.
- Neem de ingredienten.
- Laat de pizza ontdooien!
- Verwarm de soep. | Laat de oven heet worden!
- Snijd de appel.
- Haal de zaadjes uit.
- Hak de pompoen.
- Schil de peer.
- Smelt de boter.
- Do alles/de inhoud van het zakje in.
- Kook de vis.
- Bak het vlees.
- Do de melk bij. | Voeg de melk bij de soep toe.
- Mix de soep.
- Breng de soep aan de kook.
- Roer in de soep.
- Laat de bereiding een minuut doorkoken!
- Maak … klaar.
- Serveer de soep.
De Dag Van Pieter
OTT
Pieter wordt wakker om half acht. Dan staat hij op en maakt hij het bed. Daarna scheert hij zich en neemt hij een douche. Dan doet hij zijn kleren aan. Om acht uur ontbijt hij. Na het ontbijt neemt hij de bus naar zijn werk. Pieter werkt tot kwart voor vijf op kantoor. Om half zeven komt hij terug thuis. Om negen uur kijkt hij naar tv. Om half elf doet hij zijn kleren uit en gaat hij naar bed.
VTT
Pieter is om half acht wakker geworden. Dan is hij opgestaan en heeft hij zijn bed gemaakt. Daarna heeft hij zich geschoren end heeft hij een douche genomen. Dan heeft hij zijn kleren aangedaan. Om acht uur heeft hij ontbeten. Na het ontbijt heeft hij de bus genomen. Pieter heeft tot kwart voor vijf op kantoor gewerkt. Om half zeven is hij terug thuisgekomen. Om negen uur heeft hij naar tv gekeken. Om half elf heeft Pieter zijn kleren uitgedaan en is hij naar bed gegaan.
Adjectieven
| zalig |
agreeable/pleasurable |
| prachtig |
lovely/superb |
| geweldig |
intense/enormous |
| verschrikkelijk |
awful/terrible/dreadful |
| fantastisch |
fantastic |
| heerlijk |
delightful/wonderful |
| afschuwelijk |
abominable/detestible |
| triestig |
miserable |
| afgrijselijk |
ghastly/hideous |
Het Weer
| Infinitief |
OTT |
VTT |
| stormen |
Het stormt. |
Het heeft gestormd. |
| regenen |
Het regent. |
Het heeft geregend. |
| bliksemen |
Het bliksemt. |
Het heeft gebliksemd. |
| donderen |
Het dondert. |
Het heeft gedonderd. |
| waaien |
Het waait. |
Het heeft gewaaied. |
| hagelen |
Het hagelt. |
Het heeft gehageld. |
| sneeuwen |
Het sneeuwt. |
Het heeft gesneeuwd. |
| vriezen |
Het vriest. |
Het heeft gevroren. |
| schijnen |
De zon schijnt. |
De zon heeft geschenen. |
- De zon schijnt. | Het is zonnig. | OTKT: De zon zal/gaat schijnen!
- Het is licht/zwaar bewolkt
- Er is veel wind. | Het waait.
- Het is mistig. | Het mist.
- Het onweer = donder +bliksem = het stormt
- Het is fris/heet/grijs/mooi weer/slecht weer/bewolkt/warm/koud…
Onregelmatig Werkwoorden (III)

Woning
- In welke buurt woon jij? Ik woon in de buurt van Sint Jacobs.
- In welk soort huis woon jij? Ik woon in een appartement/rijhuis/studio/kamer/villa/bungalow.
- (App.) Op welke verdieping woon jij? Ik woon op de derde verdieping.
- Hoeveel verdiepingen zijn er? Er zijn drie verdiepingen, ik woon op de derde verdieping.
- Huur je je appartement/huis of is het jouw eigen app./huis? Huuder/eigenaar.
- Hoeveel (huur/onkosten/EGW) betaal je per maand? Alles is inbregrepen.
- Zijn er extra kosten?
- Huis/App. beschrijven. Slaapkamer/living/keuken/badkamer/zolder/kelder/berging/garage/balkon/hang/tuin/koer/lift…
- Hoeveel slaapkamers heb jij/ Hoeveel slaapkamers zijn er? Ik heb een slaapkamer/ Er zijn 2 slaapkamers.
- (App.) Is er een lift? Ja, er is een lift/ Nee, er is geen lift.
- Is er een balkon(terras)? Mijn terras is niet echt klein maar ook niet echt groot. Daar staat een wasrek.
- gelijkvloers = benedenverdieping, centrale verwarming, de waarborg, de tuin(en), de verdieping(en), de lift(en), de trap(pen), de huurprijs (huurprizen), de living(s) = de woningkamer(s), de keuken(s), de slaapkamer(s), de douche(s), de garage(s), de eigenaar(s). de huuder(s), de zolder(s), de kelder(s), de studio(‘s)
- het appartement(en), het ligbad(en), het gebouw(en), het terras(sen), het huis (huizen)
- huren – ik huur – te huur, kopen – ik koop – te koop, een appartement gaan bekijken – te bezichtigen
| kosten inbegrepen (inclusief) |
<> aparte kosten |
| vrij |
<> verhuurd |
| gemeubeld |
<> ongemeubeld |
| ver van |
<> dichtbij = niet ver van |
| in een drukke straat |
<> in een rustige straat |
De Kleren/Kledij/Kleding
Het
T-shirt, hemd, pak/kostuum, vest, badpak, kleedje.
De
jeans, broek, pyjama, sokken, das, reim, short, onderbroek/slip, zwembroek, jas, sjaal, laarzen, handschoenen, trui/pulls, rok, bloes, panty, BH + slip, (knie)kousen/lange sokken.
- de voering, de pijpen, de mouwen, de rits(en), de V-hals, de ronde hals, de knoop (knopen).
- effen, geruit (met ruitjes), gebloemd (met bloemetjes), gestreept (met streepjes), met motieven, zonder mouwen = mouwloos, met spaghettibandjes, met veters, met plakkers, schoenen met hakken, platte schoenen, sandalen, slippers.
- Hebt u een maat groter/kleiner?
- Kan je de mouwen verkorten?
- Waar zijn de paskamers?
- Wat draag je vandaag? Vandaag draag ik een zwarte T-shirt met spaghettibandjes. Ik draag ook een donkerblauwe trui met lange mouwen. Ik draag een blauwe jeans, zwarte sokken en korte bruine laarzen. Ook draag ik een beige jas.
Onregelmatig Werkwoorden (II)

VTT: Wat heb jij gisteren gedaan?
Ik ben om half acht opgestaan. Dan heb ik een douche genomen. Daarna heb ik mijn kleren aangedaan. Dan heb ik mijn tanden gepoetst en heb ik mijn haar gekamd. Ik heb om acht uur het ontbijt gemaakt. Dan heb ik ontbeten: ik heb een boterham gegeten en een kopje koffie gedroken. Na het ontbijt ben ik naar school vertrokken. Ik ben te voet naar de les gegaan/gekomen. Ik heb Nederlands gestudeerd.
‘s Namiddags ben ik naar het centrum gegaan. Ik heb boodschappen gedaan en ik heb in het centrum gewandeld.
Gisterenavond heb ik een beetje Nederlands gestudeerd. Ik heb naar tv gekeken en dan ben ik om half twaalf naar bed gegaan.
Onregelmatig Werkwoorden

VTT: Wat heb jij vanmorgen gedaan?
Ik ben om half acht opgestaan. Dan heb ik een douche genomen. Daarna heb ik mijn kleren aangedaan. Dan heb ik mijn tanden gepoetst en heb ik mijn haar gekamd. Ik heb om acht uur het ontbijt gemaakt. Dan heb ik ontbeten: ik heb een boterham gegeten en een kopje koffie gedroken. Na het ontbijt ben ik naar school vertrokken. Ik ben te voet naar de les gegaan/gekomen.
OTT: Wat doe jij s’morgens?
Ik sta op om half acht. Dan neem ik een douche. Daarna doe ik mijn kleren aan. Dan poets ik mijn tanden en kam ik mijn haar. Om acht uur maak ik het ontbijt. Dan ontbijt ik: ik eet een boterham en drink een kopje koffie. Na het ontbijt doe ik mijn jas aan en vertrek ik naar school. Ik kom te voet naar school.
De les begint om negen uur. De pauze is om half tien. Wij studeren Nederlands. Om tien voor twaalf is de les gedaan en gaan wij naar huis.
Wenskaarten/Wensen
- Proficiat met jullie huwelijk!| Proficiat met jullie huwelijksverjaardag!
- Gefeliciteerd met jullie nieuwe woning! | Veel geluk met jullie woning!
- Hartelijke gelukwensen met jullie kindje! | Hartelijk gefeliciteerd met de geboorte!
- Hartelijk dank/Bedankt voor de uitnodiging!
- De verjaardag: Van harte gefeliciteerd met je verjaardag! | Gelukkige verjaardag!
- Veel succes! | Veel geluk!
- De ziekte: Van harte beterschap! | Veel beterschap! | Spoedig herstel!
- Het overlijden: Innige deelneming. | Veel sterkte! | Sterkte!
De Familie
overgrootvader(s) + overgrootmoeder(s)
grootvader(s)/opa + grootmoeder(s)/oma
vader(s)/papa + moeder(s)/mama | nonkel(s) + tante(s)
zoon (mv: zonen) + dochter(s) | broer(s) + zus(sen)
neef (mv:neven/neefjes) + nicht (mv: nichten/nichtjes)
kleinkinderen
kleinzoon (mv: kleinzonen) + kleindochter(s)
achterkleinkinderen
schoon…
stief…
- Hoeveel kinderen heb je?
- Hoeveel broers en zussen heb jij?
- Hoeveel kleinkinderen heb jij?
- Leven je grootouders nog? Alleen mijn grootmoeder langs moederskant leeft nog. De anderen zijn gerstorven.
- Heb je familie in Belgie?
| Substantieven |
tafel, stoel, deur, muur, huis, auto, zoon… |
| Lidwoorden |
de, het, een |
| Telwoorden |
een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, honderd, duizend… |
| Voorzetsels |
voor, achter, onder, op, tussen, tegen, in, aan, naar, naast, met… |
| Vraagwoorden |
waarom, waar, wie, wanneer, wat, hoe, hoelang, hoeveel, welk(e)… |
| Adjectieven |
mooi, lelijk, klein, groot, snel, traag… |
| Infinitief |
slapen, eten, drinken, dansen, zwemmen, strijken, schrijven… |
| Nevenschikkende Voegwoorden |
en, maar, want, of |
| Onderschikkende Voegwoorden |
omdat, als, zodat, nadat… |
| Persoonlijke Woornaamwoorden |
ik, jij, hij, zij, wij, jullie, zij (mv) |
| Bezittenlijke Voornaamwoorden |
mijn, jouw/uw, zijn, haar, ons/onze, jullie, hun |
Wie ben je?
| Wie ben je? |
Ik ben… |
| What is jouw naam? |
Mijn naam is… |
| Hoe heet je? |
Ik heet… |
| Uit welk land kom je? |
Ik kom uit… |
| Waar kom je vandaan? |
Ik kom van… |
| Waar woon je? |
Ik woon in… |
| Ben je getrouwd? |
Nee, ik ben niet getrouwd maar ik woon samen met mijn vriend. |
| Heb je kinderen? |
Nee, ik heb geen kinderen. |
| Hoelang woon je in Belgie? |
Ik woon … in Belgie. |
| Hoe kom je naar school? |
Ik kom te voet naar school. |
| Hoe gaat het? Hoe is het? (Hoe is ‘t?) |
Prima! Goed! Uitstekend! | Zozo. Het gaat wel. | Slecht. Niet goed. |
| Hoe oud ben je? |
Ik ben … jaar. |
| Wanneer verjaar je? |
Ik verjaar op… (Gefeliciteerd! Proficiat! Gelukkige verjaardag!) |
| Wanneer be jij geboren? |
Ik ben geboren op… |
| Mag ik iets vragen? |
Natuurlijk. | Ja, zeker! |
| Ik begrijp het niet. | Ik weet het niet. |
Wablief? | Kan je dat herhalen? | Wat zeg je? |
| Hoe laat is het? (Oe laat ‘t?) |
Sorry, ik heb geen uurwerk. |
| Klopt dat? |
Nee, dat klopt niet. | Ja, dat klopt. |
| Is dat waar? |
Nee, dat is niet waar. | Ja, dat is waar. |
| In welke straat woon je? |
Ik woon in … straat. |