Nederlands

Groeten uit het buitenland!

Van welke vakantie houd jij het meest?

Ik houd het meest van…

Woordenschat – het buitenland, her verblijf, de wegstrijd(en), de berg(en), de zee (zeeen), de rivier(en), de wandeling(en), de tocht(en), het strand(en), het bos(sen), de vakantie(s), de camping(s), de villa(‘s), de bungalow(s), de winnaar(s), het hotel(s), het klooster(s), het museum (museums – musea), winnen (ik win), verliezen (ik verlies), kamperen (ik kampeer), logeren (ik logeer), genieten van (ik geniet van … ), klimmen (ik klim).


Berichtjes


Wat is er gebeurd?

Hoe is het gebeurd?

Wat waren de gevolgen van het ongeval?/ Wat zijn de gevolgen?

Wat heeft men in her ziekenhuis gedaan?

Wat is de situatie na de behandeling in het ziekenhuis?

Hoe is het met de mensen nu?

Wanneer belt u naar het nummer dringende politiehulp 101?

Woordenschat – pech, geluk, aanrijding(en), de operatie(s), het noodnummer(s)


Verhuizen

  1. Maria heeft een appartement gehuurd.
  2. Er staat een fles op de zolder.
  3. Er zit een beer op het bed.
  4. Er hangen mooie schilderijen in de woonkamer.
  5. Er ligt een tapijt in de studeerkamer.
  6. Er hangt een handdoek in de keuken.
  7. Er staan boeken in de badkamer.
  8. Er liggen kussens in de zetel.
  9. Er staan auto’s in de kinderkamer.
  10. Er hangt een lampje boven het bed in de slaapkamer.
  11. Er zitten muizen op de zolder.

Woordenschat – de plant(en), de kapstok(ken), het matras(sen), het gordijn(en), het schiderij(en), het rek(ken), het kussen(s)


Eten Klaarmaken

Woordenschat – houdbaarheidsdatum = versheidsdatum, de verpakking(en), de oven(s), het frituurvet, het fornuis (fornuizen), met dekzel, bevroren, ontdooid, supermarkt, reclameboodschappen, sluitingsuur, verwittiging (En=warning), etiket (En=label), klacht (En=complaint), wisselgeld, kasticket, kledingstuk, beschimmeld (En=moldy), vervallen, defect.


Openbaar En Prive Vervoer

Hoe vraag je het?

  1. Welke tram moet ik nemen voor de bibliotheek?
  2. Brugge, enkel, a.u.b.
  3. Rijdt deze bus naar het station?
  4. Op welk spoor komt de trein naar Brussel?
  5. Waar moet ik afstappen voor…?
  6. Moet it ergens overstappen? (ergens = somewhere)
  7. Hasselt, heen en terug a.u.b.
  8. Stopt u aan de post?

Woordenschat – aankomst, het vertrek, het openbaar vervoer, de parkeerplaats, de vertraging(en), het spoor (de sporen), de file(s), afstappen (ik stap af), overstappen (ik stap over), wachten op, vertrekuur, uurtabel, halte,


Regelmatig Werkwoorden

regenen geregend
studeren gestudeerd
luisteren geluisterd
antwoorden geantwoord
spelen gespeeld
telefoneren getelefoneerd
werken gewerkt
leren geleerd
wandelen gewandeld
proeven geproefd
maken gemaakt
verhuizen verhuisd
poetsen gepoetst
voetballen gevoetbald
huren gehuurd
lenen (van/aan) geleend
wisselen gewisseld
vragen (aan) gevraagd
praten (met) gepraat
reizen gereisd

Reflexieve Werkwoorden

zich douchen Ik douch me.
zich wassen Jij wast je. Jij heb je gewassen.
zich kelden Hij kleedt zich. Hij heeft zich gekleed.
zich afdrogen Wij drogen ons af.
zich scheren Jullie scheren je. Jullie hebben je geschoren.
zich haasten Zij (mv) haasten zich. Zij hebben zich gehaast.

Scheidbare Werkwoorden

aandoen Hij doet … aan.
binnenkomen Jullie komen … binnen.
meebrengen Jij brengt … mee.
aankomen Wij komen … aan.
nadenken Zij (mv) denken … na.
meenemen Ik neem … mee.
opeten Hij eet … op.
opendoen zij (enk) doet … open

Imperatief

De imperatief staat ALTIJD op de EERSTE PLAATS in de zin.

De imperatief heeft GEEN SUBJECT.

De imperatief gebruik je meestal bij INSTRUCTIES.


De Dag Van Pieter

OTT

Pieter wordt wakker om half acht. Dan staat hij op en maakt hij het bed. Daarna scheert hij zich en neemt hij een douche. Dan doet hij zijn kleren aan. Om acht uur ontbijt hij. Na het ontbijt neemt hij de bus naar zijn werk. Pieter werkt tot kwart voor vijf op kantoor. Om half zeven komt hij terug thuis. Om negen uur kijkt hij naar tv. Om half elf doet hij zijn kleren uit en gaat hij naar bed.

VTT

Pieter is om half acht wakker geworden. Dan is hij opgestaan en heeft hij zijn bed gemaakt. Daarna heeft hij zich geschoren end heeft hij een douche genomen. Dan heeft hij zijn kleren aangedaan. Om acht uur heeft hij ontbeten. Na het ontbijt heeft hij de bus genomen. Pieter heeft tot kwart voor vijf op kantoor gewerkt. Om half zeven is hij terug thuisgekomen. Om negen uur heeft hij naar tv gekeken. Om half elf heeft Pieter zijn kleren uitgedaan en is hij naar bed gegaan.


Adjectieven

zalig agreeable/pleasurable
prachtig lovely/superb
geweldig intense/enormous
verschrikkelijk awful/terrible/dreadful
fantastisch fantastic
heerlijk delightful/wonderful
afschuwelijk abominable/detestible
triestig miserable
afgrijselijk ghastly/hideous

Het Weer

Infinitief OTT VTT
stormen Het stormt. Het heeft gestormd.
regenen Het regent. Het heeft geregend.
bliksemen Het bliksemt. Het heeft gebliksemd.
donderen Het dondert. Het heeft gedonderd.
waaien Het waait. Het heeft gewaaied.
hagelen Het hagelt. Het heeft gehageld.
sneeuwen Het sneeuwt. Het heeft gesneeuwd.
vriezen Het vriest. Het heeft gevroren.
schijnen De zon schijnt. De zon heeft geschenen.

Onregelmatig Werkwoorden (III)

INF_VD090615


Woning

  1. In welke buurt woon jij? Ik woon in de buurt van Sint Jacobs.
  2. In welk soort huis woon jij? Ik woon in een appartement/rijhuis/studio/kamer/villa/bungalow.
  3. (App.) Op welke verdieping woon jij? Ik woon op de derde verdieping.
  4. Hoeveel verdiepingen zijn er? Er zijn drie verdiepingen, ik woon op de derde verdieping.
  5. Huur je je appartement/huis of is het jouw eigen app./huis? Huuder/eigenaar.
  6. Hoeveel (huur/onkosten/EGW) betaal je per maand? Alles is inbregrepen.
  7. Zijn er extra kosten?
  8. Huis/App. beschrijven. Slaapkamer/living/keuken/badkamer/zolder/kelder/berging/garage/balkon/hang/tuin/koer/lift…
  9. Hoeveel slaapkamers heb jij/ Hoeveel slaapkamers zijn er? Ik heb een slaapkamer/ Er zijn 2 slaapkamers.
  10. (App.) Is er een lift? Ja, er is een lift/ Nee, er is geen lift.
  11. Is er een balkon(terras)? Mijn terras is niet echt klein maar ook niet echt groot. Daar staat een wasrek.
kosten inbegrepen (inclusief) <> aparte kosten
vrij <> verhuurd
gemeubeld <> ongemeubeld
ver van <> dichtbij = niet ver van
in een drukke straat <> in een rustige straat

De Kleren/Kledij/Kleding

Het

T-shirt, hemd, pak/kostuum, vest, badpak, kleedje.

De

jeans, broek, pyjama, sokken, das, reim, short, onderbroek/slip, zwembroek, jas, sjaal, laarzen, handschoenen, trui/pulls, rok, bloes, panty, BH + slip, (knie)kousen/lange sokken.

  1. Hebt u een maat groter/kleiner?
  2. Kan je de mouwen verkorten?
  3. Waar zijn de paskamers?
  4. Wat draag je vandaag? Vandaag draag ik een zwarte T-shirt met spaghettibandjes. Ik draag ook een donkerblauwe trui met lange mouwen. Ik draag een blauwe jeans, zwarte sokken en korte bruine laarzen. Ook draag ik een beige jas.

Onregelmatig Werkwoorden (II)

inf_vd0518


VTT:  Wat heb jij gisteren gedaan?

Ik ben om half acht opgestaan. Dan heb ik een douche genomen. Daarna heb ik mijn kleren aangedaan. Dan heb ik mijn tanden gepoetst en heb ik mijn haar gekamd. Ik heb om acht uur het ontbijt gemaakt. Dan heb ik ontbeten: ik heb een boterham gegeten en een kopje koffie gedroken. Na het ontbijt ben ik naar school vertrokken. Ik ben te voet naar de les gegaan/gekomen. Ik heb Nederlands gestudeerd.

‘s Namiddags ben ik naar het centrum gegaan. Ik heb boodschappen gedaan en ik heb in het centrum gewandeld.

Gisterenavond heb ik een beetje Nederlands gestudeerd. Ik heb naar tv gekeken en dan ben ik om half twaalf naar bed gegaan.


Onregelmatig Werkwoorden

inf_vd0514


VTT:  Wat heb jij vanmorgen gedaan?

Ik ben om half acht opgestaan. Dan heb ik een douche genomen. Daarna heb ik mijn kleren aangedaan. Dan heb ik mijn tanden gepoetst en heb ik mijn haar gekamd. Ik heb om acht uur het ontbijt gemaakt. Dan heb ik ontbeten: ik heb een boterham gegeten en een kopje koffie gedroken. Na het ontbijt ben ik naar school vertrokken. Ik ben te voet naar de les gegaan/gekomen.


OTT:  Wat doe jij s’morgens?

Ik  sta op om half acht. Dan neem ik een douche. Daarna doe ik mijn kleren aan. Dan poets ik mijn tanden en kam ik mijn haar. Om acht uur maak ik het ontbijt. Dan ontbijt ik: ik eet een boterham en drink een kopje koffie. Na het ontbijt doe ik mijn jas aan en vertrek ik naar school. Ik kom te voet naar school.

De les begint om negen uur. De pauze is om half tien. Wij studeren Nederlands. Om tien voor twaalf is de les gedaan en gaan wij naar huis.


Wenskaarten/Wensen


De Familie

overgrootvader(s) + overgrootmoeder(s)

grootvader(s)/opa + grootmoeder(s)/oma

vader(s)/papa + moeder(s)/mama | nonkel(s) + tante(s)

zoon (mv: zonen) + dochter(s) | broer(s) + zus(sen)

neef (mv:neven/neefjes) + nicht (mv: nichten/nichtjes)

kleinkinderen

kleinzoon (mv: kleinzonen) + kleindochter(s)

achterkleinkinderen

schoon…

stief…


Substantieven tafel, stoel, deur, muur, huis, auto, zoon…
Lidwoorden de, het, een
Telwoorden een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, honderd, duizend…
Voorzetsels voor, achter, onder, op, tussen, tegen, in, aan, naar, naast, met…
Vraagwoorden waarom, waar, wie, wanneer, wat, hoe, hoelang, hoeveel, welk(e)…
Adjectieven mooi, lelijk, klein, groot, snel, traag…
Infinitief slapen, eten, drinken, dansen, zwemmen, strijken, schrijven…
Nevenschikkende Voegwoorden en, maar, want, of
Onderschikkende Voegwoorden omdat, als, zodat, nadat…
Persoonlijke Woornaamwoorden ik, jij, hij, zij, wij, jullie, zij (mv)
Bezittenlijke Voornaamwoorden mijn, jouw/uw, zijn, haar, ons/onze, jullie, hun

Wie ben je?

Wie ben je? Ik ben…
What is jouw naam? Mijn naam is…
Hoe heet je? Ik heet…
Uit welk land kom je? Ik kom uit…
Waar kom je vandaan? Ik kom van…
Waar woon je? Ik woon in…
Ben je getrouwd? Nee, ik ben niet getrouwd maar ik woon samen met mijn vriend.
Heb je kinderen? Nee, ik heb geen kinderen.
Hoelang woon je in Belgie? Ik woon … in Belgie.
Hoe kom je naar school? Ik kom te voet naar school.
Hoe gaat het? Hoe is het? (Hoe is ‘t?) Prima! Goed! Uitstekend! | Zozo. Het gaat wel. | Slecht. Niet goed.
Hoe oud ben je? Ik ben … jaar.
Wanneer verjaar je? Ik verjaar op… (Gefeliciteerd! Proficiat! Gelukkige verjaardag!)
Wanneer be jij geboren? Ik ben geboren op…
Mag ik iets vragen? Natuurlijk. | Ja, zeker!
Ik begrijp het niet. | Ik weet het niet. Wablief? | Kan je dat herhalen? | Wat zeg je?
Hoe laat is het? (Oe laat ‘t?) Sorry, ik heb geen uurwerk.
Klopt dat? Nee, dat klopt niet. | Ja, dat klopt.
Is dat waar? Nee, dat is niet waar. | Ja, dat is waar.
In welke straat woon je? Ik woon in … straat.

Leave a Reply